ECLI:NL:HR:2019:1217
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken wettelijke grondslag
In deze zaak vordert belanghebbende cassatie tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die het hoger beroep behandelde tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam. De rechtbank had het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht.
De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze bepaling stelt dat de Hoge Raad alleen kennisneemt van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald.
Omdat er geen wettelijke grondslag bestaat voor cassatie tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep na een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van griffierecht, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.