ECLI:NL:HR:2019:1118

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2019
Publicatiedatum
4 juli 2019
Zaaknummer
18/01450
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetbelasting en fiscale eenheid tussen stichting en dochtervennootschap

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 5 juli 2019 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende de omzetbelasting en de vraag of een stichting en haar dochtervennootschap als één ondernemer kunnen worden aangemerkt voor de heffing van omzetbelasting. De belanghebbende, een stichting die primair onderwijs verzorgt, had 70 procent van de aandelen in een dochtervennootschap die onderwijzend personeel ter beschikking stelde. De Inspecteur had het verzoek van de stichting en de dochtervennootschap om als fiscale eenheid te worden aangemerkt afgewezen, omdat er volgens het Hof onvoldoende economische verwevenheid was tussen de twee entiteiten.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door niet te toetsen aan het criterium van economische verwevenheid zoals eerder vastgesteld in rechtspraak. De Hoge Raad concludeerde dat de stichting en de dochtervennootschap in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven dat zij als één ondernemer moeten worden aangemerkt. Dit betekent dat de afwijzing van de Inspecteur niet in stand kan blijven en dat de Rechtbank terecht had beslist dat de stichting en de dochtervennootschap met ingang van 1 januari 2013 als één ondernemer voor de heffing van omzetbelasting moeten worden aangemerkt.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof vernietigd en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Tevens zijn er proceskostenveroordelingen uitgesproken tegen de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 18/01450
5 juli 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X1]te
[Z](hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 27 februari 2018, nr. 17/00277, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 15/5684) betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 31 december 2018 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1436 en daarbij behorende bijlage ECLI:NL:PHR:2018:1475).

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, een stichting, verzorgt primair onderwijs. Tevens verricht zij tegen vergoeding met het onderwijs samenhangende activiteiten, zoals het verlenen van zorg met behulp van interne begeleiders, de verhuur van ruimten, en detachering van onderwijzend personeel. Zij is ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).
2.1.2.
Belanghebbende heeft op 31 december 2012 [X2] B.V. (hierna: de dochtervennootschap) opgericht. De dochtervennootschap heeft onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel in dienst. De dochtervennootschap stelt dit personeel al dan niet tijdelijk tegen vergoeding ter beschikking aan belanghebbende en aan onderwijsinstellingen die evenals belanghebbende zijn aangesloten bij [A] (hierna: het samenwerkingsverband).
2.1.3.
Belanghebbende hield 70 procent van de aandelen in de dochtervennootschap. De overige aandelen werden gehouden door de andere bij het samenwerkingsverband aangesloten onderwijsinstellingen. De voorzitter van het college van bestuur van belanghebbende vormde tezamen met een afgevaardigde van het samenwerkingsverband het bestuur van de dochtervennootschap.
2.1.4.
In 2013 heeft de dochtervennootschap 27,2 procent van haar omzet behaald met de terbeschikkingstelling van personeel aan belanghebbende. De overige omzet heeft zij behaald met het ter beschikking stellen van personeel aan de andere bij het samenwerkingsverband aangesloten onderwijsinstellingen.
2.1.5.
Belanghebbende en de dochtervennootschap hebben de Inspecteur verzocht hen tezamen met ingang van 1 januari 2013 aan te merken als één ondernemer (een fiscale eenheid) als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet. De Inspecteur heeft dat verzoek bij beschikking afgewezen.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende en de dochtervennootschap in economisch opzicht niet in voldoende mate met elkaar zijn verweven om te kunnen worden aangemerkt als een fiscale eenheid. Naar het oordeel van het Hof kan namelijk niet worden gezegd dat de activiteiten van belanghebbende en de dochtervennootschap uiteindelijk in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel in de zin dat zij een gemeenschappelijke klantenkring bedienen. Evenmin kan naar het oordeel van het Hof worden gezegd dat de activiteiten van de dochtervennootschap in hoofdzaak ten behoeve van belanghebbende worden uitgeoefend omdat de dochtervennootschap slechts 27,2 procent van haar omzet behaalt met diensten die zij jegens belanghebbende verricht.
2.3.
Middel 1 richt zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
2.4.1.
Het bestaan van economische verwevenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet moet in elk geval worden aangenomen indien de activiteiten van de betrokken ondernemers in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel of indien de activiteiten van de ene ondernemer in hoofzaak ten behoeve van de andere ondernemer worden uitgeoefend (vgl. HR 22 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC3993).
2.4.2.
In rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:837 (hierna: het arrest van 11 oktober 2013), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval van financieel en organisatorisch verweven ondernemers ook economische verwevenheid kan worden aangenomen indien tussen de ondernemers onderling niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan. In dit arrest heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat aan het bestaan van economische verwevenheid op deze grond niet afdoet dat de betrokken ondernemers in meer of minder belangrijke mate goederen leveren aan of diensten verlenen jegens derden. Bij de beantwoording van de vraag of de voor een fiscale eenheid vereiste verwevenheid aanwezig is, moeten de banden van financiële, organisatorische en economische aard in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Een zodanige beoordeling brengt mee dat ondernemers die in financieel en organisatorisch opzicht nauw verweven zijn, tezamen een eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet vormen indien tussen deze ondernemers niet-verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan.
2.5.
Uit rechtsoverweging 4.3 van zijn uitspraak blijkt dat het Hof bij zijn hiervoor in 2.2, eerste volzin, weergegeven oordeel ervan is uitgegaan dat voor de beoordeling van de economische verwevenheid in dit geval niet moet worden getoetst aan het hiervoor in 2.4.2 weergegeven criterium. Dit uitgangspunt berust op een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan waarvan het Hof is uitgegaan, beperkt het arrest van 11 oktober 2013 de toepassing van het hiervoor in 2.4.2 weergegeven criterium niet tot concerns die bestaan uit een houdstermaatschappij met werkmaatschappijen. Dat criterium kan ook toepassing vinden in andere gevallen waarin een ondernemer met een andere ondernemer in financieel en organisatorisch opzicht nauw is verweven. Middel 1 slaagt.
2.6.
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
De in cassatie vaststaande feiten staan geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende en de dochtervennootschap in financieel en organisatorisch opzicht nauw met elkaar zijn verweven. Verder staat vast dat de dochtervennootschap 27,2 procent van haar omzet behaalt met prestaties jegens belanghebbende. De onderlinge economische betrekkingen tussen belanghebbende en de dochtervennootschap zijn dus niet te verwaarlozen. Dit een en ander dwingt tot de conclusie dat belanghebbende en de dochtervennootschap in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet. Dit betekent dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat de afwijzende beschikking van de Inspecteur moet worden vernietigd, en dat belanghebbende en de dochtervennootschap met ingang van 1 januari 2013 als één ondernemer voor de heffing van omzetbelasting worden aangemerkt.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 508 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
draagt de Inspecteur op aan het Hof het griffierecht van € 501 te betalen voor de behandeling van het hoger beroep,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.072 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.536 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2019.