Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (profijtontneming). De betrokkene, tegen wie deze vordering was ingesteld, heeft het beroep in cassatie zelf ingesteld, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat het niet indienen van middelen van cassatie binnen de termijn een schending is van de wettelijke voorschriften, met name art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h van het Wetboek van Strafvordering.
Daarom kon de betrokkene niet worden ontvangen in het beroep. De Hoge Raad verklaarde de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep en wees het beroep af. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.