ECLI:NL:PHR:2019:758

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2019
Publicatiedatum
9 juli 2019
Zaaknummer
18/00417
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in profijtontnemingszaak wegens termijnoverschrijding

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin aan betrokkene een ontnemingsmaatregel is opgelegd ter grootte van €1.949,61. De betrokkene heeft niet binnen de wettelijke termijn schriftelijk middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad, zoals vereist op grond van art. 437 lid 2 Sv Pro en art. 511h Sv.

De procureur-generaal concludeert daarom dat betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op het beroep zal ingaan. De ontnemingsmaatregel blijft daarmee in stand.

De zaak is gerelateerd aan een hoofdzaak met nummer 18/00416, waarin eveneens conclusies zijn genomen. De beslissing betreft uitsluitend de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de ontnemingszaak.

De uitspraak bevestigt het belang van het tijdig indienen van middelen in cassatieprocedures en de strikte toepassing van procesrechtelijke termijnen in strafrechtelijke ontnemingszaken.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/00417 P
Zitting28 mei 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene.
Bij arrest van 23 november 2017 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, is het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 1.949,61 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van hetzelfde bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de hoofdzaak, nr. 18/00416, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
3. Anders dan in de hoofdzaak, is in de onderhavige ontnemingszaak niet binnen de bij wet gestelde termijn een schriftuur met één of meer middelen van cassatie bij de Hoge Raad ingediend. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarde die is gesteld in art. 437, tweede lid, Sv, en op grond van art. 511h Sv ook van toepassing is op ontnemingszaken. Om die reden is de betrokkene in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk.
4. Deze conclusie strekt ertoe de betrokkene in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG