Uitspraak
VERWEERDER in cassatie,
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
28 juni 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam betreffende een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz. De kernvraag betrof de vraag of een persoonlijkheidsstoornis kan worden aangemerkt als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank Rotterdam en het verloop van het geding aldaar. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend, terwijl de advocaat-generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen. De raadsheren hebben het beroep inhoudelijk niet behandeld omdat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad heeft het beroep dan ook verworpen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Hiermee is bevestigd dat een persoonlijkheidsstoornis niet valt onder de stoornissen van geestvermogens zoals bedoeld in de Wet Bopz, en dat de voorlopige machtiging op die grondslag terecht is geweigerd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank Rotterdam bekrachtigd.