In deze zaak staat centraal de vraag of een zaakwaarnemer een belanghebbende kan vertegenwoordigen in een bestuursrechtelijke belastingprocedure nadat de belanghebbende is overleden. De Hoge Raad bevestigt dat dit onder strikte voorwaarden mogelijk is, mits de zaakwaarnemer aannemelijk maakt dat de belanghebbende tijdelijk niet zelf kan optreden en geen vertegenwoordiger heeft kunnen aanwijzen.
De procedure betreft een aanslag inkomstenbelasting 2008 opgelegd aan de overledene. Na diens overlijden is het hoger beroep voortgezet door een zaakwaarnemer namens de erfgenamen, die niet bekend of niet bereid waren de nalatenschap te aanvaarden. Het hof had geoordeeld dat de zaakwaarnemer bevoegd was op te treden, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase af.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en wijst de vergoeding toe. De redelijke termijn is met 37 maanden overschreden, waarvan 36 maanden in de bezwaar- en beroepsfase volledig aan de Inspecteur toerekenbaar zijn. De Inspecteur wordt veroordeeld tot betaling van €3000 immateriële schadevergoeding. Tevens worden de proceskosten en griffierecht aan de zijde van belanghebbenden toegewezen.