Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
5 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de uitvoer van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland.
De verdediging stelde middelen van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Daarnaast werd in het arrest aandacht besteed aan de voorlopige hechtenis van drie dagen zonder geldige titel, waarbij het hof had overwogen dat deze tijd wordt afgetrokken van de opgelegde gevangenisstraf en volstaat met een constatering van normschending.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en wees het cassatieberoep af, waarmee de strafrechtelijke veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen uitvoer cocaïne.