Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 9 november 2017, nr. SGR 17/2754 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 31 augustus 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een verzetprocedure. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en geconcludeerd dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat de belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad besloten het beroep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld en de uitspraak van de lagere rechter in stand blijft.
Het arrest is gewezen door de raadsheer Wortel als voorzitter, samen met de raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en is op 1 juni 2018 in het openbaar uitgesproken. De beslissing bevestigt de strikte criteria voor ontvankelijkheid van cassatieberoepen en benadrukt het belang van voldoende belang bij het instellen van cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of onvoldoende gegrondheid van de klachten.