Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 13 oktober 2017, nr. 14/6096 AOW, betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft in een procedure bij de Centrale Raad van Beroep bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank op grond van de Algemene Ouderdomswet. In cassatie werd het beroep ingediend, waarbij belanghebbende een beroep op betalingsonmacht deed voor het griffierecht.
Na het indienen van een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen en aanvullende bewijsstukken, wees de Hoge Raad het beroep op betalingsonmacht af omdat niet aan de criteria werd voldaan. De griffier stelde belanghebbende vervolgens meerdere malen schriftelijk in de gelegenheid het griffierecht alsnog te voldoen en om een toelichting te geven op het uitblijven van betaling.
Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid en betaalde het griffierecht niet. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.