Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
2.Geding in cassatie
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Beoordeling van het tweede middel
6.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
In deze jeugdzaak stond de verdachte terecht voor het voorhanden hebben van een klappertjes speelgoedpistool, strafbaar gesteld onder art. 54 jo Pro. 27 van de Wet wapens en munitie. Het Gerechtshof Amsterdam had de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde misdrijf en veroordeeld tot een geldboete van €150,- subsidiair 3 dagen jeugddetentie voor de overtreding. Daarnaast bepaalde het hof een werkstraf van 125 uren voor een ander feit, met een proeftijd en reclasseringstoezicht.
De Hoge Raad vernietigde eerder een arrest van het hof en wees de zaak terug voor hernieuwde berechting van de beslissingen omtrent het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging. In het bestreden arrest werd de verdachte vrijgesproken van het misdrijf en veroordeeld voor de subsidiaire overtreding. Het cassatieberoep richtte zich niet tegen de vrijspraak van het misdrijf.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep tegen het bestreden arrest voor het onder 3 tenlastegelegde feit niet ontvankelijk is wegens art. 427 Sv Pro. Daarnaast verwierp de Hoge Raad het middel dat klaagde over de ruime formulering van de bijzondere voorwaarde in de proeftijd, omdat dit geen cassatiegrond oplevert. De strafbepaling door het hof werd als een oplegging begrepen en behoeft geen nadere motivering.
De Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor het cassatieberoep ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en verwierp het beroep voor het overige, waarmee het arrest van het hof in stand bleef voor zover ontvankelijkheid dat toeliet.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in cassatie voor het onder 3 tenlastegelegde en het beroep is voor het overige verworpen.