Uitspraak
[X]te
[Z], België (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 16 oktober 2014, nr. 13/00989, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een werknemer die in België woont en voor een Nederlandse werkgever werkt, maar 6,5% van zijn arbeidsuren in België verricht zonder voorafgaande overeenkomst, onder de socialezekerheidswetgeving van één of twee lidstaten valt. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigd, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen had beantwoord.
Het Hof van Justitie verduidelijkte dat artikel 14, lid 2, onder b), i), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd dat een werknemer die zonder voorafgaande afspraak een klein deel van zijn werkzaamheden in een andere lidstaat verricht, niet wordt gezien als iemand die in twee lidstaten werkt. Hierdoor is alleen de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat waar de werkgever gevestigd is van toepassing.
De Hoge Raad concludeerde dat belanghebbende niet als grensarbeider in de zin van de verordening moet worden aangemerkt en dat uitsluitend de Nederlandse socialezekerheidswetgeving geldt. De klachten van belanghebbende werden verworpen en het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de Nederlandse socialezekerheidswetgeving is van toepassing.