ECLI:NL:HR:2018:438

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2018
Publicatiedatum
27 maart 2018
Zaaknummer
16/04686
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 189 SrArt. 289 SrArt. 288 SrArt. 287 SrArt. 312 Sr
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring medeplegen begunstiging door lijk te verslepen en in tapijt te wikkelen

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin zij werd veroordeeld voor medeplegen van begunstiging door het lichaam van het slachtoffer te verslepen en in een tapijt te wikkelen. Het hof had vastgesteld dat verdachte samen met een ander handelde met het oogmerk om de nasporing van het misdrijf te bemoeilijken door sporen te wissen.

Het hof baseerde zijn oordeel onder meer op DNA-sporen van verdachte op de kleding en sokken van het slachtoffer, die niet verklaard konden worden door haar verklaring dat zij de kleding alleen had gestreken. Daarnaast werd een schoenzoolafdruk op het tapijt gevonden die overeenkwam met de slippers van verdachte, waarop bloed van het slachtoffer zat. Dit bewijs leidde tot de conclusie dat verdachte het lichaam had versleept en in het tapijt had gewikkeld.

De Hoge Raad herhaalde de strekking van artikel 189, eerste lid, onder 2°, Sr, dat strafbaarstelling ziet op het bemoeilijken van opsporing door het vernietigen, wegmaken of verbergen van sporen. Het middel van verdachte dat het hof onvoldoende had vastgesteld welke sporen precies waren gewist en hoe dit het onderzoek bemoeilijkte, werd verworpen omdat een dergelijke eis niet door het recht wordt gesteld.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en voldoende had gemotiveerd dat verdachte medepleegde aan het wegmaken van sporen. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van medeplegen begunstiging door het lichaam van het slachtoffer te verslepen en in een tapijt te wikkelen.

Uitspraak

27 maart 2018
Strafkamer
nr. S 16/04686
LBS/JHO
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 september 2016, nummer 22/000971-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte sporen van het misdrijf heeft weggemaakt.
2.2.1.
Overeenkomstig het tenlastegelegde is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"zij op of omstreeks 12 maart 2011 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, nadat er op 12 maart 2011 te Amsterdam, een misdrijf, te weten de overtreding van artikel 289 of Pro 288/287 of 312 en/of 317 Wetboek van Strafrecht, was gepleegd, met het oogmerk om de nasporing of vervolging van dat misdrijf te bemoeilijken, sporen van dat misdrijf heeft weggemaakt, immers heeft verdachte en/of haar mededader
- het lichaam van [slachtoffer] versleept en
- het lichaam van [slachtoffer] in een tapijt gewikkeld en/of helpen wikkelen."
2.2.2.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
"In de ochtend van 13 maart 2011 is in de woning van de verdachte het levenloze lichaam van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) aangetroffen, gewikkeld in een tapijt. Uit onder meer het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel blijkt dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen.
(...)
Gelet op het sporenbeeld acht het hof (...) wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan de meest subsidiair ten laste gelegde begunstiging. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
In bemonsteringen van verschillende delen van de kleding van [slachtoffer], te weten de binnenzijden van de steekzakken van de broek, (de onderzijde van) de broekspijpen en de sokken, is celmateriaal van de verdachte en van anderen aangetroffen. Het NFI concludeert dat de bevindingen van het DNA onderzoek aan genoemde bemonsteringen (zeer) (veel) waarschijnlijker zijn wanneer de verdachte de kledingstukken heeft aangeraakt (direct contact), dan wanneer het celmateriaal van de verdachte via indirect contact op de kledingstukken terecht is gekomen. De verdachte heeft verklaard dat zij geen lijk (van [slachtoffer]) heeft gezien en dat de DNA sporen zijn aangetroffen doordat zij wel eens broeken van [slachtoffer] heeft gestreken. Deze ogenschijnlijk adequate verklaring voor een verdachte die vergeetachtig en in de war zegt te zijn acht het hof niet aannemelijk geworden. Familieleden van [slachtoffer] hebben verklaard dat [slachtoffer] zijn kleding naar de wasserette bracht en voor strijkwerkzaamheden door verdachte biedt het dossier geen enkele steun. Bovendien zou dit slechts een verklaring zijn voor een deel van de aangetroffen DNA sporen van de verdachte, te weten de sporen op de broek van [slachtoffer]. De DNA sporen van de verdachte op de sokken van [slachtoffer] zijn daarmee niet verklaard.
Daarnaast is op de onderzijde van het tapijt waarin het lichaam van [slachtoffer] was gewikkeld, welke zijde op het moment van aantreffen van het lichaam naar boven lag gekeerd, een fragment van een met bloed gezette schoenzoolafdruk aangetroffen. Het DNA-profiel in de bemonstering van deze afdruk matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Onderzoek heeft uitgewezen dat genoemde schoenzoolafdruk is veroorzaakt door schoeisel, voorzien van een soortgelijk profiel als het profiel van de slippers die na de aanhouding van verdachte bij haar in beslag zijn genomen, waarbij de linker slipper als meest mogelijke veroorzaker kan worden aangemerkt. Geen van het overige tijdens het onderzoek aangetroffen schoeisel kwam overeen met de afdruk. Op de onderzijde van genoemde linker slipper van de verdachte is bloed aangetroffen. In de bemonstering daarvan is celmateriaal van [slachtoffer] aangetroffen.
Gelet op het vorenstaande, en dan in het bijzonder gelet op de plaats van de aangetroffen sporen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft versleept en het lichaam van [slachtoffer] in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen, waarbij zij haar slipper op de omgeslagen onderzijde van dat tapijt heeft gezet. (...)
Omdat de aangetroffen sporen zijn te herleiden tot zowel de verdachte als anderen, gaat het hof er van uit dat verdachte voornoemde handelingen heeft verricht met een ander. De verdachte heeft door aldus te handelen (dader)sporen weggemaakt, met het oogmerk om de nasporing of vervolging van het misdrijf, ten gevolge waarvan [slachtoffer] om het leven is gekomen, te bemoeilijken. Het moet voor de verdachte volstrekt duidelijk zijn geweest dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gebracht. Zij moet hebben beseft dat haar handelen als noodzakelijk en dus door haar gewild gevolg meebracht dat sporen van dat misdrijf zouden verdwijnen."
2.3.1.
Het tenlastegelegde is toegesneden op art. 189, eerste lid onder 2°, Sr. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip "sporen van dat misdrijf heeft weggemaakt" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.
2.3.2.
Art. 189, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr luidt:
"Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
2°. hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt."
2.3.3.
De strafbaarstelling van art. 189, eerste lid aanhef en onder 2°, Sr strekt ertoe te voorkomen dat politie en justitie worden tegengewerkt bij het opsporen van een misdrijf, door het buiten hun bereik stellen van "iets wat als aanwijzing van schuld of een gepleegd misdrijf kan strekken" (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, 1891, p. 189). Van zo een tegenwerken is sprake in geval van het aanbrengen van zodanige wijzigingen in de aangetroffen situatie op de plaats van een misdrijf dat daardoor sporenonderzoek wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt (vgl. HR 22 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5766, NJ 2006/563).
2.4.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, nadat [slachtoffer] door misdrijf om het leven was gebracht, het lichaam van die [slachtoffer] heeft versleept en dat lichaam in een tapijt heeft gewikkeld, althans daarbij heeft geholpen. Het daarop berustende oordeel dat de verdachte en haar mededader sporen van het misdrijf hebben weggemaakt, getuigt - mede in aanmerking genomen hetgeen onder 2.3 is vooropgesteld - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel berust op de opvatting dat moet worden vastgesteld welke sporen zijn weggemaakt en op welke wijze daardoor het onderzoek werd bemoeilijkt, stelt het een eis die het recht niet kent.
2.5.
Het middel faalt in zoverre.

3.Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 maart 2018.