Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
In deze jeugdzaak stond de vraag centraal of verdachte zich schuldig had gemaakt aan belaging door stelselmatig inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Verdachte had in de periode van maart 2012 tot januari 2013 onder meer pizza's besteld op naam van het slachtoffer en valse advertenties geplaatst met de contactgegevens van het slachtoffer.
Het hof oordeelde dat deze gedragingen, mede door de gevolgen daarvan zoals herhaalde benaderingen van het slachtoffer door derden, een aanzienlijke impact hadden op het leven en de veiligheid van het slachtoffer en haar gezin. Het hof achtte het bewezen dat verdachte met opzet en wederrechtelijk handelde met het oogmerk het slachtoffer te dwingen of vrees aan te jagen, en kwalificeerde dit als belaging ex art. 285b Sr.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en herhaalde de criteria voor stelselmatigheid uit eerdere rechtspraak, zoals de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen en hun impact op het slachtoffer. De Hoge Raad verwierp de klachten van verdachte en oordeelde dat het hof terecht ook de gedragingen van derden die het gevolg waren van de advertenties aan verdachte toerekende.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat gezien de lichte straf (werkstraf en jeugddetentie) geen rechtsgevolgen aan deze overschrijding werden verbonden. Het beroep in cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor belaging door stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer.