In deze zaak vorderden meerdere piloten die verplicht waren uit dienst te treden op 56- of 57-jarige leeftijd een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig had gehandeld door in een eerder arrest van 2012 geen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Zij meenden dat dit nalaten leidde tot een onrechtmatige rechtspraak die hun rechten schaadde.
De rechtbank en het hof verwierpen deze vorderingen en het hof wees tevens het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen af. Het hof oordeelde dat de Hoge Raad in het arrest van 2012 terecht had geoordeeld dat de bestaande jurisprudentie van het HvJ EU voldoende was om het geschil te beslissen, zodat geen prejudiciële vragen nodig waren. Ook was er geen sprake van een gekwalificeerde schending van EU-recht die aansprakelijkheid van de Staat zou rechtvaardigen.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en benadrukt dat het aan de nationale rechter is om te beoordelen of prejudiciële vragen nodig zijn. Daarnaast stelt de Hoge Raad dat de Staat slechts in uitzonderlijke gevallen aansprakelijk kan worden gehouden voor schending van EU-recht door een rechterlijke beslissing in laatste aanleg, namelijk wanneer sprake is van een kennelijke schending. Dit was hier niet het geval.
Het cassatieberoep wordt verworpen en de eisers worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad acht zich bevoegd om in deze zaak te oordelen, ondanks dat het gaat om aansprakelijkheid voor een eigen arrest.