ECLI:NL:HR:2018:2367

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2018
Publicatiedatum
20 december 2018
Zaaknummer
17/05255
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 2:394 lid 3 BWArt. 2:248 lid 2 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bestuurdersaansprakelijkheid bij overschrijding termijn openbaarmaking jaarrekening

In deze zaak stond de vraag centraal of het overschrijden van de termijn voor openbaarmaking van de jaarrekening een 'onbelangrijk verzuim' is in de zin van artikel 2:248 lid 2 BW Pro, en daarmee of bestuurdersaansprakelijkheid kan worden uitgesloten. De zaak betrof een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch dat eerder de aansprakelijkheid van de bestuurder bevestigde.

De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken en bevestigde dat de overschrijding van de termijn niet als een onbelangrijk verzuim kan worden aangemerkt. Het cassatieberoep werd verworpen omdat de aangevoerde klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding, maar stelde deze nihil aan de zijde van de curatoren. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd en bleef de bestuurdersaansprakelijkheid in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bestuurdersaansprakelijkheid blijft in stand.

Uitspraak

21 december 2018
Eerste Kamer
17/05255
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. Leonard Jozef Marie LUCHTMAN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van PARTRUST B.V.,
wonende te Breda,
2. Bart Floris LOUWERIER,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van PARTRUST B.V.,
wonende te Breda,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de curatoren.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/02/262911/HAZA 13-288 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 juni 2015;
b. het arrest in de zaak 200.179.483 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de curatoren is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
21 december 2018.