Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
18 december 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een economische strafzaak waarin de verdachte, een rechtspersoon gevestigd te Amsterdam, werd vervolgd wegens het opzettelijk overtreden van een voorschrift uit de Wet milieubeheer. De verdachte had een milieuvergunning voor opslag, overslag en bewerking van verontreinigde grond, met het voorschrift dat verontreinigde grond niet binnen de inrichting mocht worden bewerkt.
In de periode van oktober tot november 2009 heeft de verdachte verontreinigde grond ontvangen en deze bewerkt door middel van zeven, waarbij brokken steen uit het zand werden verwijderd met een metalen rooster. Het hof oordeelde dat deze handeling onder 'bewerken' valt zoals bedoeld in de vergunning en dat de verdachte daarmee het voorschrift heeft overtreden.
De Hoge Raad toetste het oordeel van het hof slechts op begrijpelijkheid en bevestigde dat zeven een vorm van bewerken is, gelet op de vergunning en het normale spraakgebruik. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof oordeel dat zeven onder bewerken valt wordt bevestigd.