Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 22 januari 2018, nr. AWB 16/6365, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 24 augustus 2017.
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland inzake een verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van die rechtbank. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en concludeerde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, besloot de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd gewezen door de raadsheer Wortel als voorzitter en de raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2018.
Deze beslissing betekent dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet inhoudelijk heeft behandeld, waardoor de uitspraak van de Rechtbank Gelderland in stand blijft. De procedure illustreert het belang van ontvankelijkheidsvereisten bij cassatieberoepen in bestuursrechtelijke zaken, met name in belastingrecht.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of niet-ontvankelijkheid van de klachten.