De Staat der Nederlanden verzocht om faillietverklaring van een schuldenaar die zowel een bestuurlijke boete als belastingschulden onbetaald liet. De rechtbank wees het verzoek af omdat de Staat en de belastingdienst als één schuldeiser werden beschouwd, waardoor het pluraliteitsvereiste niet was voldaan. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de ontvanger geen zelfstandige rechtspersoon is, maar een functionaris van de Staat.
De Staat stelde in cassatie dat organen en onderdelen van de Staat die organisatorisch of begrotingstechnisch zelfstandig zijn, als verschillende schuldeisers moeten worden aangemerkt. Tevens betoogde de Staat dat vorderingen van de ontvanger als steunvorderingen kunnen dienen bij faillissementsaanvragen. De Hoge Raad verwierp deze stellingen en benadrukte dat de Staat rechtspersoonlijkheid bezit, maar zijn organen niet, waardoor vorderingen van deze organen als één schuldeiser gelden.
De Hoge Raad stelde dat procesbevoegdheid van de ontvanger en organisatorische zelfstandigheid geen grond vormen om het pluraliteitsvereiste te omzeilen. Ook steunvorderingen van de ontvanger kunnen niet worden aangemerkt als zelfstandige vorderingen die het pluraliteitsvereiste vervullen. Het cassatieberoep werd verworpen en de Staat werd veroordeeld in de kosten van het geding.