Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betrof het opzettelijk doen van onjuiste aangifte omzetbelasting en het opzettelijk niet ter beschikking stellen van boeken, bescheiden en gegevensdragers, zoals bedoeld in de artikelen 68.1.b en 69.1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De verdediging voerde onder meer een klacht aan over het niet weerleggen van een onrechtmatige opsporingshandeling (uos) met betrekking tot het eerste feit en over ontoereikend bewijs voor het tweede feit. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten faalden en dat de middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (RO) was geen nadere motivering vereist omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 6 februari 2018, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers de uitspraak deden. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.