De erfgenamen van de overledene hebben beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, waarin een geschil speelde over een ingehouden bedrag aan loonheffing en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Het hof had eerder een uitspraak gedaan na hoger beroep tegen een beslissing van de Rechtbank Den Haag.
De Hoge Raad ontving het cassatieberoep en de daarbij ingediende klachten van belanghebbenden. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in. Een conclusie van repliek van belanghebbenden werd buiten beschouwing gelaten omdat deze na de gestelde termijn werd ingediend.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werden er geen proceskosten aan belanghebbenden toegekend.
Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit in het openbaar op 28 september 2018.