ECLI:NL:HR:2018:1781

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2018
Publicatiedatum
26 september 2018
Zaaknummer
17/04237
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:83 lid 1 BWArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arrest over overdracht van koopoptie en verzet door aard vorderingsrecht

In deze zaak stond de vraag centraal of de aard van een vorderingsrecht zich verzet tegen de overdracht van een koopoptie, zoals bedoeld in artikel 3:83 lid 1 BW Pro. De erven, vertegenwoordigd door hun executeur-testamentair, stelden cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 mei 2017, dat het beroep in eerste aanleg had behandeld.

De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland en het arrest van het hof. In cassatie werden geen nieuwe gronden aangevoerd die tot vernietiging konden leiden. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is, omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het beroep wordt verworpen en de kosten worden aan de zijde van de verweersters op nihil begroot.

Hiermee bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de overdracht van de koopoptie niet wordt belemmerd door de aard van het vorderingsrecht, waarmee duidelijkheid wordt verschaft over de overdraagbaarheid van dergelijke rechten in het goederenrecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

28 september 2018
Eerste Kamer
17/04237
EE/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de erven] ,
van wie de executeur-testamentair woonplaats heeft gekozen te Utrecht ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
1. [verweerster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de erven en [verweerster] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 3488581 MC EXPL 14-12270 van de rechtbank Midden-Nederland van 31 december 2014 en 1 april 2015;
b. het arrest in de zaak 200.172.614/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 mei 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de erven beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor de erven toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de erven in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
28 september 2018.