ECLI:NL:HR:2018:1424

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 2018
Publicatiedatum
4 september 2018
Zaaknummer
17/00038
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte wegens niet-indienen cassatiemiddelen

De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 december 2016. Echter zijn er geen middelen van cassatie namens de verdachte ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.

De Hoge Raad beoordeelt dat het niet indienen van middelen binnen de termijn een schending is van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de verdachte niet worden ontvangen in het beroep. De Hoge Raad verklaart daarom de verdachte niet-ontvankelijk.

Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 4 september 2018.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Uitspraak

4 september 2018
Strafkamer
nr. S 17/00038
IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 december 2016, nummer 23/004940-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 september 2018.