Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd vrijgesproken van openlijke geweldpleging, zoals bedoeld in artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het cassatiemiddel richtte zich op de uitleg van het begrip 'openlijk' en de motivering van de vrijspraak door het hof.
De Hoge Raad overwoog dat het middel niet kan leiden tot cassatie, mede op basis van de motieven die zijn uiteengezet in een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2018:1008). De Hoge Raad bevestigt daarmee dat de uitleg van het begrip 'openlijk' door het hof juist is en dat de vrijspraak voldoende is gemotiveerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal, die vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing voor een deel van de zaak bepleitte, wordt niet gevolgd. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. Dit arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 3 juli 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens openlijke geweldpleging.