In deze zaak stond centraal of een aanbestedende dienst bij het constateren van een ernstige beroepsfout van een inschrijver alsnog van uitsluiting mag afzien op grond van het evenredigheidsbeginsel. De Hoge Raad verwees naar eerdere arresten, waaronder het tussenarrest van 27 maart 2015 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 december 2016, waarin werd bevestigd dat het Unierecht zich niet verzet tegen een verplichte toets aan het evenredigheidsbeginsel, maar dat uitsluiting zonder toetsing aan evenredigheid niet is toegestaan indien de aanbestedingsvoorwaarden uitsluiting voorschrijven.
De aanbestedingsvoorwaarden van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bepaalden dat inschrijvingen waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, zonder meer worden uitgesloten. De Hoge Raad stelde vast dat het ministerie in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en transparantie heeft gehandeld door toch een evenredigheidstoets toe te passen en de opdracht aan de Combinatie toe te kennen ondanks de ernstige beroepsfout.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Den Haag en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter dat de uitsluiting van de Combinatie terecht was. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat voor het vaststellen van een ernstige beroepsfout geen onherroepelijke rechterlijke beslissing vereist is en dat nieuwe feiten die na de gunningsbeslissing bekend werden, niet in aanmerking kunnen worden genomen. De Staat en de Combinatie werden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en cassatie.