Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 juni 2017.
Hoge Raad
Verzoekster, een voormalig ondernemer, had een verzoek ingediend tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) nadat haar faillissement was aangevraagd. Het geschil betrof onder meer het ontbreken van een verklaring over het minnelijk traject zoals vereist in artikel 285 lid 1 sub f van Pro de Faillissementswet (Fw) en de vraag of haar schulden te goeder trouw waren ontstaan.
De rechtbank Limburg wees het verzoek af en het gerechtshof 's-Hertogenbosch bevestigde dit oordeel. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoekster niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het overleggen van een verklaring over het minnelijk traject bij een WSNP-toelatingsverzoek en bevestigt de mogelijkheid tot ambtshalve toepassing van de hardheidsclausule bij twijfel over de goede trouw van schulden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het toelatingsverzoek tot de WSNP afgewezen.