ECLI:NL:HR:2017:980

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2017
Publicatiedatum
1 juni 2017
Zaaknummer
17/01001
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 285 lid 1 sub f Fw
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing toelatingsverzoek WSNP wegens ontbreken minnelijk traject

Verzoekster, een voormalig ondernemer, had een verzoek ingediend tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) nadat haar faillissement was aangevraagd. Het geschil betrof onder meer het ontbreken van een verklaring over het minnelijk traject zoals vereist in artikel 285 lid 1 sub f van Pro de Faillissementswet (Fw) en de vraag of haar schulden te goeder trouw waren ontstaan.

De rechtbank Limburg wees het verzoek af en het gerechtshof 's-Hertogenbosch bevestigde dit oordeel. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van verzoekster niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep.

Deze uitspraak benadrukt het belang van het overleggen van een verklaring over het minnelijk traject bij een WSNP-toelatingsverzoek en bevestigt de mogelijkheid tot ambtshalve toepassing van de hardheidsclausule bij twijfel over de goede trouw van schulden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het toelatingsverzoek tot de WSNP afgewezen.

Uitspraak

2 juni 2017
Eerste Kamer
17/01001
EV/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.B.A. Alkema.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/03/225722/FT RK 16/1210 van de rechtbank Limburg van 29 november 2016;
b. het arrest in de zaak 200.205.017/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 februari 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 20 april 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
2 juni 2017.