ECLI:NL:HR:2017:814

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2017
Publicatiedatum
3 mei 2017
Zaaknummer
16/04566
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij wederrechtelijke toe-eigening zweefmolen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij de verdachte werd veroordeeld voor wederrechtelijke toe-eigening van een zweefmolen. De verdachte stelde dat er een koopovereenkomst bestond en dat de vader van de aangevers de koopsom niet had voldaan, waardoor de zweefmolen als onderpand werd gehouden met toestemming van de aangevers.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat het belang onvoldoende is of de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Uit de verklaringen van betrokkenen blijkt dat er sprake was van een zakelijk geschil waarbij de zweefmolen als onderpand diende en dat de aangevers geen bezwaar hadden tegen het behoud van de zweefmolen totdat betaling zou plaatsvinden.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin wederrechtelijke toe-eigening wordt aangenomen als een goed zonder toestemming wordt weggenomen, maar in deze zaak is die toestemming geacht aanwezig te zijn. Daarom is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en het ontbreken van een gegrond cassatieklacht.

Uitspraak

7 februari 2017
Strafkamer
nr. S 16/04566
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 23 februari 2016, nummer 21/003065-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 februari 2017.
CASSATIESCHRIFTUUR
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats], hierna te noemen verzoeker, geeft eerbiedig te kennen.
Op 23 februari 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden arrest gewezen onder nummer 21/003065-14 in hoger beroep tegen het vonnis van de : politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, gewezen op 26 mei 2014 onder parketnummer 18/046804-14.
Binnen de daarvoor gestelde termijn is namens verzoeker beroep in cassatie gesteld, thans in behandeling onder griffienummer S 16/04566
Thans wordt de cassatieschriftuur ingediend namens verzoeker.
MIDDEL 1:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, voor zover de niet-inachtneming /daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, met name schending van artikel 310 Sr Pro, nu ten onrechte is bepaald dat verzoeker wederrechtelijk een goed van een ander zich zou hebben toegeëigend als bedoeld in art 310 Sr Pro.
In dit middel wordt geklaagd over wederrechtelijk toe-eigenen.
TOELICHTING:
Uit het dossier volgt dat er een koopovereenkomst is gesloten tussen [verdachte] en de vader van aangevers ten aanzien van een zweefmolen. Tevens volgt uit het dossier dat de vader indertijd de koopsom niet zou hebben voldaan en dat [verdachte] de zweefmolen terug wilde krijgen. Daarnaast volgt uit het dossier dat de vader de zweefmolen in eigendom heeft overgedragen aan zijn kinderen, de twee aangevers. Verzoeker heeft indertijd met [verdachte] en aangevers afgesproken dat aangevers een bedrag aan verzoeker zouden betalen met betrekking tot de zweefmolen.
Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verzoeker zonder de toestemming van aangever spullen heeft meegenomen.
Uit de bewijsmiddelen is - voor zover van belang- de eigen verklaring van verzoeker opgenomen waarin hij aangeeft dat hij de zweefmolen heeft weggenomen. Tevens is in de bewijsmiddelen opgenomen de verklaring van zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2]. Uit de eerstbedoelde verklaring kan alleen volgen dat er een zweefmolen is weggehaald en dat deze teruggebracht zou worden zodra er betaald zou worden. Als reactie hierop, blijkens deze verklaring, heeft [betrokkene 1] gevraagd of er ook normaal kon worden gepraat, zonder teveel heisa. Hieruit volgt voldoende dat aangeefster de mening was toegedaan dat er niet bulten haar toestemming om een zweefmolen als onderpand werd behouden.
Uit de verklaring van [betrokkene 2] volgt hetzelfde. Verzoeker deelde hem mede dat de zweefmolen terug zou komen na betaling. Als reactie daarop heeft [betrokkene 2] verzoeker gevraagd om bij de loods te komen om de zaak uit te praten. Ook hieruit volgt dat aangever het zakelijk geschil met verzoeker uit wilde praten en dat hij daaronder begreep dat de zweefmolen als onderpand diende. Derhalve is de zweefmolen niet zonder toestemming achtergehouden.
Uit uw uitspraak d.d. 26 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1426) volgt dat onder omstandigheden gesproken kan worden van wederrechtelijk toe-eigenen, namelijk als heer en meester de heerschappij over een goed hebben, indien een goed wordt weggenomen om daarmee te bewerkstelligen dat een schuld wordt ingelost. In die zaak was het overduidelijk dat er een aangifte werd gedaan omdat er geen toestemming werd verleend tot wegnemen. In deze zaak kan die toestemming wel worden aangenomen gelet op de bewoordingen dat er gepraat moest worden over het zakelijk geschil. Nu er geen sprake is van het ontbreken van toestemming, kan niet meer gezegd worden dat het wegnemen een wederrechtelijke toe-eigening is als bedoeld in art 310 Sr Pro.
Redenen waarom verzoeker Uw Raad verzoekt om het arrest van het Hof te vernietigen.