Belanghebbende, woonachtig te Rotterdam, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep inzake een besluit van de Sociale Verzekeringsbank op grond van de Algemene nabestaandenwet.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens Track&Trace afgeleverd op het domicilieadres van belanghebbende. Ondanks deze kennisgeving is het griffierecht niet betaald.
Vervolgens is belanghebbende bij brief in de gelegenheid gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was voldaan, maar hier is geen reactie op gekomen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd en heeft het arrest in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.