In deze zaak gaat het om een geschil tussen een eiseres en de Gemeente Den Haag over de zekerheidstelling bij een onteigeningsprocedure. De rechtbank had bij vonnis van 23 november 2016 vervroegd onteigening van een perceel van de eiseres uitgesproken en het voorschot op schadeloosstelling vastgesteld op 90% van het aangeboden bedrag. De rechtbank had echter geoordeeld dat zekerheidstelling als bedoeld in artikel 54i lid 4 van de Onteigeningswet achterwege kon blijven.
De Hoge Raad oordeelt dat deze opvatting onjuist is omdat artikel 54i lid 4 Ow een ongeclausuleerde, imperatieve bepaling is die vereist dat de rechtbank een som als zekerheid stelt voor de schadeloosstelling, tenzij de onteigende partij ondubbelzinnig afstand doet van dit recht. In deze zaak is van een dergelijke afstand geen sprake gebleken.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis voor zover de zekerheidstelling niet is bepaald en stelt zelf een zekerheid van €270.000,- vast, zijnde het verschil tussen het aangeboden bedrag en het voorschot. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Gemeente in de kosten van het cassatiegeding.