Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 november 2017.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof het verweer verwierp dat artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering onvoldoende wettelijke grondslag biedt voor het onderzoek aan een smartphone.
Namens de verdachte diende advocaat R.J. Baumgardt een middel van cassatie in, waarin werd betoogd dat het onderzoek aan de smartphone onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een juiste wettelijke basis. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat het geen nadere motivering behoeft, omdat het middel niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom werd het beroep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen wegens een falende motiveringsklacht over de wettelijke grondslag van het smartphoneonderzoek.