Belanghebbende had in 2012 BPM betaald voor een gebruikte personenauto uit België met schade. Voor de berekening van de afschrijving gebruikte hij de inkoopwaarde volgens een koerslijst, verminderd met een schadebedrag. De Inspecteur stelde een hogere inkoopwaarde vast op basis van een taxatie en legde een naheffingsaanslag op.
Het Hof Amsterdam verwierp zowel de door belanghebbende als door de Inspecteur verdedigde inkoopwaarde en stelde de inkoopwaarde in goede justitie vast op € 12.000, waarmee de naheffingsaanslag werd verminderd. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de door de Inspecteur verdedigde inkoopwaarde verwierp, maar deze toch als juiste waarde vaststelde. Hierdoor kon het arrest niet in stand blijven en werd de zaak verwezen naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en belanghebbende kreeg vergoeding van het griffierecht. De Hoge Raad sprak het arrest uit op 10 november 2017.