Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 april 2016, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland inzake informatiebeschikkingen op grond van artikel 52a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) behandelde.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.
Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van lagere rechters en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aannemen van cassatiemiddelen die geen wezenlijke rechtsvragen bevatten.