ECLI:NL:HR:2016:84

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
15/01470
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieAlgemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hoger beroep werd afgewezen inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1999 tot en met 2007, de aanslag over 2008 en een navorderingsaanslag vermogensbelasting over 2000, inclusief beschikkingen over heffingsrente.

De Hoge Raad oordeelde dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees tevens een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 22 januari 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

22 januari 2016
Nr. 15/01470
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 25 februari 2015, nrs. BK‑14/00322 tot en met BK-14/00332, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 13/7605, SGR 13/7608 t/m SGR 13/7610, SGR 13/7612 t/m SGR 13/7615 en SGR 13/7618 t/m SGR 13/7620) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1999 tot en met 2007 opgelegde navorderingsaanslagen en de voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.