Uitspraak
1.Geding in cassatie
.
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
22 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak heeft afgewezen. De verdachte was wegens ziekte niet aanwezig op de zitting van 22 september 2015 en stelde dat de verdediging zich niet deugdelijk had kunnen voorbereiden.
Het hof heeft het verzoek afgewezen omdat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en een goede organisatie van de rechtspleging zwaarder wegen dan het belang van verdachte om de zaak aan te houden. Het hof stelde vast dat de verdachte en zijn raadsman wisten dat de zitting voor inhoudelijke behandeling was, maar dat de verdachte niet verschenen was en zijn raadsman niet had gemachtigd om de verdediging te voeren.
De procesgang was langdurig met meerdere aanhoudingen en wisselingen van raadsman. Het hof heeft meerdere malen tegemoetgekomen aan de wensen van de verdediging, maar vond dat de voortgang van de zaak moest prevaleren. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze belangenafweging terecht heeft gemaakt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het verzoek tot aanhouding afgewezen.