Art. 25 Invorderingswet 1990Art. 26 Invorderingswet 1990Art. 7 lid 1 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990Art. 24 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid burgerlijke rechter bij beroep tegen afwijzing kwijtscheldingsverzoek en uitstel van betaling Invorderingswet
Belanghebbende was het niet eens met de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 en stelde beroep in bij de rechtbank en het gerechtshof, die het beroep ongegrond verklaarden. De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was om te beslissen over het verzoek tot kwijtschelding op grond van artikel 26 InvorderingswetPro 1990 en verwees belanghebbende naar de ontvanger van de belastingen.
De rechtbank wees ook op het administratief beroep bij de directeur van de belastingen tegen een afwijzende beschikking op een kwijtscheldingsverzoek en dat daarna alleen de burgerlijke rechter bevoegd is om een vordering in te stellen. De Hoge Raad bevestigt dat deze bevoegdheidsverdeling ook geldt voor beslissingen over uitstel van betaling op grond van artikel 25 InvorderingswetPro 1990, afwijkend van een eerdere uitspraak van de Hoge Raad.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en ziet geen aanleiding tot verdere motivering omdat de klachten niet leiden tot rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de burgerlijke rechter is bevoegd voor beroepen tegen afwijzing van kwijtschelding en uitstel van betaling.
Uitspraak
2 december 2016
nr. 16/03398
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haagvan 24 mei 2016, nr. BK-15/00993, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 15/2034) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2.Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2.
Aan belanghebbende is een definitieve aanslag IB/PVV 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.170. Daarbij zijn onder meer de bij de voorlopige aanslag verleende arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting gecorrigeerd. De aanslag resulteerde, na verrekening van de eerder opgelegde voorlopige aanslag, in een te betalen bedrag van € 4178.
2.3.
De Rechtbank en het Hof hebben het tegen de aanslag gerichte beroep en hoger beroep ongegrond verklaard.
2.4.
De Rechtbank heeft onder meer overwogen dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet tot kwijtschelding van de aanslag kan leiden. De Rechtbank wees er daarbij op dat zij ingevolge artikel 26 vanPro de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW) in samenhang met artikel 7, lid 1, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling IW) niet bevoegd is op een verzoek tot kwijtschelding te beslissen en dat belanghebbende zich dienaangaande tot de ontvanger van de belastingen dient te wenden. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat tegen een afwijzende beschikking van de ontvanger op een verzoek tot kwijtschelding op grond van artikel 24 vanPro de Uitvoeringsregeling IW zogenoemd administratief beroep openstaat bij de directeur van de belastingen en dat tegen ongegrondverklaring van dat beroep vervolgens geen beroep bij de bestuursrechter openstaat, meer in het bijzonder de belastingrechter, maar uitsluitend nog een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze.
2.5.
De Rechtbank is bij haar hiervoor onder 2.4 weergegeven oordeel uitgegaan van een juiste opvatting omtrent de bevoegdheid van de burgerlijke rechter ingeval van een afwijzende beslissing op een kwijtscheldingsverzoek als bedoeld in artikel 26 vanPro de IW, afgezien van de – hier niet aan de orde zijnde – uitzonderingen bedoeld in artikel 1b, lid 2, van de Uitvoeringsregeling IW. Anders dan de Hoge Raad heeft overwogen in onderdeel 3.6 van zijn arrest van 12 augustus 2016, nr. 15/01496, ECLI:NL:HR:2016:1928, BNB 2016/220, geldt hetzelfde ten aanzien van beslissingen op een verzoek tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25 vanPro de IW.
2.6.
De tegen de uitspraak van het Hof gerichte klachten van belanghebbende kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, G. Snijders, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.