Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
22 november 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vraag of een raadsman die verklaart beperkt gemachtigd te zijn tot bepaalde onderdelen van de verdediging, toch als volledig gemachtigd moet worden beschouwd volgens art. 279 Sv Pro. De verdachte was in hoger beroep niet verschenen en zijn raadsman voerde namens hem aanhoudingsverzoeken in, maar verklaarde vervolgens slechts beperkt gemachtigd te zijn voor deze verzoeken en niet voor de inhoudelijke behandeling.
Het hof oordeelde dat de raadsman niet gemachtigd was in de zin van art. 279 Sv Pro en wees het hoger beroep bij verstek af. De Hoge Raad herhaalt dat art. 279 Sv Pro slechts vereist dat de advocaat uitdrukkelijk verklaart gemachtigd te zijn, zonder verdere onderzoeksplicht voor de rechter omtrent de reikwijdte of waarheid van die verklaring.
De Hoge Raad benadrukt dat een machtiging niet beperkt kan worden tot bepaalde onderdelen van de verdediging en dat de rechter in geval van een zogenaamd beperkte machtiging voorbij moet gaan aan die beperking. Dit is in het belang van het recht op verdediging van een niet-verschijnende verdachte.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling op het bestaande hoger beroep, zodat de raadsman de verdediging kan voeren zoals bedoeld in art. 279 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling waarbij de raadsman als volledig gemachtigd wordt beschouwd.