In deze zaak stond centraal of de gemeente Borsele voor het organiseren van leerlingenvervoer als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan worden aangemerkt en of zij recht heeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds. Na een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie werd vastgesteld dat het organiseren van leerlingenvervoer door een territoriaal overheidslichaam geen economische activiteit vormt.
Het Hof had eerder geoordeeld dat de gemeente wel als ondernemer optrad en aanspraak kon maken op aftrek van omzetbelasting, maar de Hoge Raad volgde het oordeel van het Hof van Justitie dat de gemeente geen economische activiteit verricht bij het organiseren van leerlingenvervoer. De door ouders betaalde bijdragen werden gezien als een heffing en niet als vergoeding, en de gemeente fungeert als eindverbruiker van vervoersdiensten die zij inkoopt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en oordeelde dat de gemeente geen recht heeft op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds voor de omzetbelasting die in rekening is gebracht voor het leerlingenvervoer. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep van de gemeente.