Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
30 september 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De beëindiging was gebaseerd op niet-naleving van de informatieplicht en sollicitatieplicht en benadeling van schuldeisers, zoals bedoeld in artikel 350 lid 3 onder Pro c en e van de Faillissementswet.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van rechtbank en hof en overweegt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) en het advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-ontvankelijkheid van de klachten.