Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
12 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2015. Namens de verdachte werd een schriftuur ingediend door mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken op 12 januari 2016 door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en niet-geschiktheid van de klachten.