Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 4 juli 2013, nr. 12/00564, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de belanghebbende zijn normale verblijfplaats had in een lidstaat van de EU of in een derde land (Qatar) voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling onder Verordening (EG) nr. 1186/2009.
De Hoge Raad verwees prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, dat oordeelde dat een natuurlijke persoon niet tegelijkertijd een normale verblijfplaats kan hebben in een lidstaat en een derde land. Bij de beoordeling moet een algehele afweging van feitelijke omstandigheden plaatsvinden, waarbij de duur van het verblijf in het derde land van bijzonder belang is.
Het hof had geoordeeld dat bij evenwichtige omstandigheden de persoonlijke bindingen in de lidstaat doorslaggevend zijn, maar de Hoge Raad stelde dat deze rechtsopvatting niet verenigbaar is met het arrest van het Hof van Justitie. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Qatar had.
De Hoge Raad veroordeelde tevens de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten en gelastte vergoeding van griffierechten. Hiermee werd de vrijstelling van douanerechten voor verhuisboedel toegekend aan de belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Qatar heeft en recht heeft op de verhuisboedelvrijstelling.