Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde en het vijfde middel
3.Slotsom
4.Beslissing
2 februari 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd ten laste gelegd dat hij op 13 april 2005 een vals taxatierapport had opgemaakt waarin de waarde van percelen weiland in Baarn werd vastgesteld op € 2.200.000, terwijl de werkelijke waarde aanzienlijk hoger was. Dit rapport werd gebruikt voor de overdrachtsbelasting bij de juridische levering van de percelen.
Het hof had de verdachte veroordeeld omdat het de waarde in het taxatierapport onverklaarbaar laag achtte ten opzichte van andere taxatierapporten en een deskundigenrapport. De verdediging stelde dat het taxatierapport van 13 april 2005 een waardering naar de waarde in het economisch verkeer betrof, gebaseerd op een comparatieve methode, terwijl de andere rapporten uitgingen van toekomstige bebouwing en andere aannames.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin Sv, niet in het bijzonder had gemotiveerd waarom het afweek van het door de verdediging duidelijk en onderbouwd naar voren gebrachte standpunt dat het taxatierapport niet vals was. Deze motiveringsgebrek leidt tot nietigheid van het arrest.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.