Conclusie
Overweging met betrekking tot het bewijs
1.Taxatierapport d.d. 1 juli 2003
2.Taxatierapport 13 april 2005
3.Taxatierapport 1 december 2005
het perceel grond is ten tijde van de waardering in gebruik als weiland. Wij gaan ervan uit dat de grond met dit gebruik, dus niet bouwrijp, aan een derde zal worden opgeleverd. In de waardering gaan we er echter wel vanuit dat de gemeente goedkeuring verleent voor het ontwikkelen van het perceel grond. Wij hebben aangenomen dat de realisatie over 2 jaar, medio 2007, zal plaatsvinden.
4.Taxatierapport 2 december 2005
Bij de waardebepaling is geanticipeerd op de te verwachten bebouwingsmogelijkheden. Uit verkennende gesprekken met de gemeente Baarn is gebleken dat de meest waarschijnlijke uitkomst van de bestemmingsplanwijziging zal zijn dat 50% van het totale perceel bestemd zal worden voor bedrijfsbebouwing. De overige 50% zal worden bestemd voor wonen, waarvan 30% sociale woningbouw en 70% vrije sector woningen.
5.Rapport Belastingdienst 16 januari 2009
In het Streekplan 2005-2015, vastgesteld door Provinciale Staten op 13 december 2004, wordt toegestaan dat er 5 hectare bedrijventerrein en 200 woningen gerealiseerd mogen worden. Voor deze bebouwing wordt ingeschat dat circa 11 ha plangebied noodzakelijk is. Hiervan is 80% in eigendom bij belanghebbende.
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich met een drietal motiveringsklachten tegen ’s Hofs bewijsvoering.
.” Over de wetenschap van verzoeker omtrent het gebruik van de waardebepaling in de akte van levering respectievelijk als grondslag voor de aangifte overdrachtsbelasting (het tweede gedeelte van de bewezenverklaring) heeft het Hof in het geheel niets gezegd in zijn bewijsoverweging. Kennelijk is het Hof van oordeel dat alleen al de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen (de soliditeit van) het bewijs construeert en deze bewijsconstructie voldoende zichtbaar maakt.
derde middelbevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het namens verzoeker uitdrukkelijk ingenomen standpunt dat het bedrag waarop verzoeker de waarde heeft getaxeerd via de vergelijkende (comparatieve) waardebepaling niet in strijd met de waarheid is. Het
vijfde middelklaagt dat het Hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat – kort samengevat – de waarde die in het taxatierapport van 13 april 2005 is opgenomen niet vals is en het taxatierapport dientengevolge niet valselijk is opgemaakt.
valsis en het taxatierapport van 13 april 2005 dientengevolge
valselijk(en niet enkel verkeerd) is opgemaakt, terwijl, als eerder gezegd, zulks ook niet besloten ligt in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en aan de vage verwijzing naar de overige gedingstukken en verklaringen van verzoeker geen redengevende bewijswerking kan toekomen. Hoezeer verzoeker mogelijk de schijn tegen heeft, de enkele omstandigheid dat de comparatieve waardebepaling ten onrechte is toegepast, brengt nog niet mee dat het taxatierapport van 13 april 2005 opzettelijk valselijk is opgemaakt in de zin van art. 225, eerste lid, Sr. Daarbij wijs ik erop dat uit het taxatierapport van [betrokkene 5] noch uit de verklaring van Hordijk, voor zover deel uitmakend van de bewijsconstructie van het Hof, volgt dat de door verzoeker in zijn rapport van 13 april 2005 gebruikte waarderingsmethode geen acceptabele wijze van waardebepaling was en dat de getaxeerde waarde van € 25,- per m² niet realistisch of zelfs in strijd met de waarheid zou zijn.
tweede middel [9] niet hoeft te worden besproken. Indien Uw Raad hierover anders mocht oordelen, ben ik uiteraard bereid een aanvullende conclusie te nemen.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. Door verzoeker is op 28 mei 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 maart 2015 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met iets minder dan twee maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak kan worden gecompenseerd, dient dit in beginsel te leiden tot strafvermindering. Dit punt behoeft echter in cassatie niet te worden behandeld indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest vanwege de eerste klacht van het eerste middel en/of het derde middel en/of het vijfde middel niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen.