Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 20 oktober 2015, nr. 15/00096, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2008. Deze zaak was eerder door de Hoge Raad vernietigd en verwezen naar het Hof ter verdere behandeling.
In het tweede cassatieberoep heeft belanghebbende verschillende middelen aangevoerd, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift heeft ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad besloot geen proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 8 juli 2016 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond verklaard.