Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een verdachte die illegaal in Nederland verbleef en tot ongewenst vreemdeling was verklaard, in overeenstemming was met de terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG). De verdachte was veroordeeld door het hof tot twee maanden gevangenisstraf wegens het overtreden van artikel 197 Sr Pro.
De verdediging voerde aan dat de Nederlandse overheid onvoldoende inspanningen had geleverd om de verdachte terug te laten keren, waardoor de terugkeerprocedure niet volledig was doorlopen. Het hof oordeelde echter dat Nederland voldoende stappen had genomen, waaronder meerdere vertrekgesprekken, presentaties bij diplomatieke vertegenwoordigingen en identiteitsonderzoeken.
De Hoge Raad herhaalde de jurisprudentie dat de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt wegens handelen in strijd met artikel 197 Sr Pro, zich ervan moet vergewissen dat de terugkeerprocedure conform de richtlijn is doorlopen en dit in de motivering moet opnemen. Het hof had dit voldoende gemotiveerd en het cassatieberoep werd verworpen.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij strafoplegging in vreemdelingenzaken en bevestigt de toepassing van Europese normen in het Nederlandse strafrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de oplegging van twee maanden gevangenisstraf.