ECLI:NL:HR:2016:1158

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
9 juni 2016
Zaaknummer
15/05017
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam betreffende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 2000, alsmede navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1992 tot en met 2000.

Eerder had de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling. In het tweede cassatieberoep heeft belanghebbende een middel voorgesteld, waarop de Staatssecretaris van Financiën heeft gereageerd.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is, omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10 juni 2016
Nr. 15/05017
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 22 september 2015, nrs. 13/00280 en 15/00326 tot en met 15/00343, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, alsmede de over de jaren 1992 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/01567, ECLI:NL:HR:2013:BZ6800, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.