Belanghebbende, een vennootschap onder firma die een koeriersdienst exploiteert, maakte bezwaar tegen een door de Inspecteur opgelegde afdracht van loonheffingen over april 2013. De Inspecteur had het standpunt ingenomen dat chauffeurs als werknemers in loondienst waren, waarop belanghebbende aangifte deed en bezwaar maakte tegen een deel van de afdracht. Na ingebrekestelling wees de Inspecteur het bezwaar toe zonder inhoudelijk op de gronden in te gaan, maar wees een kostenvergoeding af.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de Inspecteur niet had geweigerd uitspraak te doen en dat geen recht op kostenvergoeding bestond, omdat geen sprake was van een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat het toewijzen van het bezwaar zonder inhoudelijke beoordeling, terwijl belanghebbende zich had geschikt naar de wensen van de Inspecteur, een onrechtmatigheid oplevert in de zin van artikel 7:15, lid 2, Awb.
De Hoge Raad bevestigt dat ook bij afdracht op aangifte, zonder beschikking, artikel 7:15, lid 2, Awb van toepassing kan zijn. De gemaakte kosten in de bezwaarfase dienen daarom te worden vergoed volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Staatssecretaris en de Inspecteur worden veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten. Hiermee wordt het belang van een zorgvuldige en inhoudelijke bezwaarbehandeling onderstreept.