Belanghebbende verkreeg op 31 mei 2011 de eigendom van een onroerende zaak en betaalde op 7 juli 2011 overdrachtsbelasting. Hij maakte bezwaar tegen het betaalde bedrag. Na uitgebreide correspondentie verklaarde de Inspecteur het bezwaar ongegrond en wees de rechtbank het beroep af omdat geen geldige ingebrekestelling was gedaan.
Het hof oordeelde dat een brief van 24 februari 2012 aan de Inspecteur voldeed als ingebrekestelling en stelde een dwangsom vast. De Hoge Raad stelde vast dat een ingebrekestelling duidelijk moet maken dat het bestuursorgaan wordt gemaand een besluit te nemen, zonder dat specifieke termen vereist zijn, maar wel duidelijkheid over de aanvraag, het niet tijdig beslissen en het aandringen op een beslissing.
De brief van 24 februari 2012 herhaalde slechts afspraken over het aanleveren van stukken en een hoorzitting, en maakte niet duidelijk dat werd aangedrongen op een beslissing. Daarom was het oordeel van het hof onjuist. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De proceskosten werden niet aan een partij toegewezen.