ECLI:NL:CRVB:2015:2682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ingebrekestelling en dwangsom bij niet tijdig beslissen op bezwaar
Betrokkene ontving vanaf 1 mei 2011 een inkomensvoorziening en vanaf 1 januari 2012 bijstand. Appellant trok deze voorzieningen met terugwerkende kracht in en vorderde een bedrag terug. Betrokkene maakte bezwaar, waarna een advocaat namens hem een brief stuurde waarin appellant werd gemaand binnen twee weken op het bezwaar te beslissen.
Appellant stelde dat deze brief niet als ingebrekestelling kon worden aangemerkt omdat deze te vrijblijvend was en niet expliciet aanspraak maakte op een dwangsom. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief wel voldeed aan de eisen van een ingebrekestelling, omdat daarin duidelijk werd gesteld dat appellant niet tijdig had beslist en werd aangedrongen op een beslissing.
De Raad sloot aan bij eerdere jurisprudentie en stelde dat aanspraak op een dwangsom niet expliciet in de ingebrekestelling hoeft te worden gemaakt. Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarbij een dwangsom van € 1.220,- werd vastgesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de brief van 27 december 2012 een geldige ingebrekestelling is en dat de dwangsom terecht is vastgesteld.