Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
7 april 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het bezit van twee kentekenplaten waarvan hij en een mededader wisten dat deze door diefstal waren verkregen. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op aangiften van diefstal, politieonderzoek en de omstandigheden waaronder de kentekenplaten werden aangetroffen in een opvallende auto.
De verdachte gaf aan dat hij de auto gebruikte die op naam stond van zijn ex-vriendin. Het hof achtte het bezit van de kentekenplaten kort na de diefstal en het ontbreken van een ontkennende verklaring redengevend voor het bewijs dat verdachte wist dat het om door misdrijf verkregen goederen ging.
De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat verdachte dit opzet had. De motivering van het hof voldeed daarom niet aan de wettelijke eisen. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor de bewezenverklaring en strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.