ECLI:NL:HR:2015:765

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2015
Publicatiedatum
26 maart 2015
Zaaknummer
15/00292
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 119 GwArt. 76 ROArt. 483 SvArt. 4 Wet van 22 april 1855Art. 12c Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beklag tegen niet vervolgen minister wegens ambtsmisdrijf

Klager deed op 5 september 2013 aangifte tegen de directie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. en de minister van Economische Zaken wegens vermeende strafbare feiten in het kader van gasboringen in Groningen. De officier van justitie besloot op 28 januari 2014 geen strafvervolging in te stellen. Klager maakte hiertegen op 3 maart 2014 beklag bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof verklaarde zich onbevoegd om het beklag te behandelen voor zover het betrekking had op de minister en verwees dat deel van de klacht naar de Hoge Raad. De Hoge Raad beoordeelde vervolgens de ontvankelijkheid van het beklag. Op grond van art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro staan ministers wegens ambtsmisdrijven in eerste en hoogste instantie terecht bij de Hoge Raad, maar kan de opdracht tot vervolging alleen worden gegeven bij Koninklijk Besluit of Tweede Kamerbesluit.

Daaruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is om opdracht tot vervolging te geven van een minister wegens ambtsmisdrijf. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beklag kennelijk niet-ontvankelijk. Vanwege deze niet-ontvankelijkheid was oproeping van klager niet noodzakelijk. De beschikking werd uitgesproken door raadsheer G. de Groot namens de raadsheren.

Uitkomst: Het beklag tegen het niet vervolgen van de minister wegens ambtsmisdrijf is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

27 maart 2015
Eerste Kamer
15/00292
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
KLAGER.

1.Het beklag

Klager heeft op 5 september 2013 aangifte gedaan van strafbare feiten die naar zijn mening zijn gepleegd door de directie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. en door de minister van Economische Zaken.
De officier van justitie heeft op 20 januari 2014 een gesprek gevoerd met klager waarin klager heeft medegedeeld dat hij de aangifte wenste uit te breiden.
Bij brief van 28 januari 2014 heeft de officier van justitie aan klager laten weten ter zake van de aangifte geen strafvervolging te zullen instellen.
Klager heeft bij brief van 3 maart 2014 hierover beklag gedaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof heeft zich onbevoegd verklaard om van de klacht kennis te nemen voor zover deze is gericht tegen de minister en de zaak in zoverre verwezen naar de Hoge Raad. Voor het overige heeft het hof de klacht afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
2.1
Ingevolge art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet Pro; art. 4 Wet Pro van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden Pro 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een minister van Economische Zaken gepleegd ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
2.2
Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 maart 2015.