ECLI:NL:HR:2015:764

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2015
Publicatiedatum
26 maart 2015
Zaaknummer
15/00147
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 119 GwArt. 76 ROArt. 483 leden 1 en 2 SvArt. 62b ROArt. 12c Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beklag tegen niet-vervolging minister wegens ambtsmisdrijf

Klager deed op 4 juni 2014 aangifte van strafbare feiten gepleegd door diverse overheidsinstanties en de minister van Financiën. De hoofdofficier van justitie besloot niet tot vervolging over te gaan. Klager maakte hiertegen beklag bij het gerechtshof Den Haag, dat de zaak verwees naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof wees het beklag af voor de meeste betrokkenen, maar verklaarde zich onbevoegd voor het deel gericht tegen de minister van Financiën en verwees dat deel naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde vervolgens de ontvankelijkheid van het beklag. Op grond van de Grondwet en het Wetboek van Strafvordering is de Hoge Raad niet bevoegd om opdracht te geven tot vervolging van ministers wegens ambtsmisdrijven; dit kan alleen via Koninklijk Besluit of een besluit van de Tweede Kamer. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad besloot dat oproeping van klager achterwege kon blijven en sprak de beschikking uit in het openbaar op 27 maart 2015. Hiermee werd het beklag afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen niet-vervolging minister wegens ambtsmisdrijf.

Uitspraak

27 maart 2015
Eerste Kamer
15/00147
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
KLAGER.

1.Het beklag

Klager heeft op 4 juni 2014 aangifte gedaan van strafbare feiten die naar zijn mening zijn gepleegd door de landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket, door het Openbaar Ministerie, door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en door de minister van Financiën. Bij brief van 7 juli 2014 heeft de hoofdofficier van justitie aan klager laten weten niet tot vervolging van genoemde personen/instanties over te gaan.
Klager heeft bij brief van 11 juli 2014, aangevuld bij brief van 18 juli 2014, hierover beklag gedaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit hof heeft de zaak op grond van art. 62b Wet op de rechterlijke organisatie (RO) verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Laatstgenoemd hof heeft het beklag afgewezen voor zover het was gericht tegen de hoofdadvocaat-generaal, het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Voor zover het beklag was gericht tegen de minister van Financiën heeft het hof zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de Hoge Raad.
De beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is aan deze beschikking gehecht.
Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
Klager heeft bij brief op dat verslag gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag

2.1
Ingevolge art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet Pro; art. 4 Wet Pro van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden Pro 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een minister van Financiën gepleegd ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
2.2
Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 maart 2015.