Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het beklag
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
3.Beslissing
27 maart 2015.
Hoge Raad
Klager deed op 4 juni 2014 aangifte van strafbare feiten gepleegd door diverse overheidsinstanties en de minister van Financiën. De hoofdofficier van justitie besloot niet tot vervolging over te gaan. Klager maakte hiertegen beklag bij het gerechtshof Den Haag, dat de zaak verwees naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hof wees het beklag af voor de meeste betrokkenen, maar verklaarde zich onbevoegd voor het deel gericht tegen de minister van Financiën en verwees dat deel naar de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde vervolgens de ontvankelijkheid van het beklag. Op grond van de Grondwet en het Wetboek van Strafvordering is de Hoge Raad niet bevoegd om opdracht te geven tot vervolging van ministers wegens ambtsmisdrijven; dit kan alleen via Koninklijk Besluit of een besluit van de Tweede Kamer. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad besloot dat oproeping van klager achterwege kon blijven en sprak de beschikking uit in het openbaar op 27 maart 2015. Hiermee werd het beklag afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen niet-vervolging minister wegens ambtsmisdrijf.